Make your own free website on Tripod.com

 

 

Olympischtitel.gif (2630 bytes)

Het Olympisch Stadion heeft in de geschiedenis van AFC Ajax een belangrijke rol gespeeld. Het werd tot aan de bouw van de Arena als uitvalsbasis voor stadion 'de Meer' gebruikt wanneer er meer dan 20.000 toeschouwers werden verwacht of wanneer bij kunstlicht moest worden gespeeld. Alhoewel het niet was opgezet als voetbalstadion en nooit officieel in bezit is geweest van de club speelde Ajax in het Olympisch Stadion veel belangrijke wedstrijden. Velen koesteren dan ook de zoete herinneringen aan deze betonnen kolos. Het had niet veel gescheeld of Amsterdam zou de eerste stad in de wereld zijn geweest die haar Olympisch Stadion zou hebben gesloopt. De gemeente had verregaande plannen voor woningbouw, maar door een jarenlange lobby kon eind 1996 afbraak worden voorkomen. Het stadion wordt teruggebracht naar haar oorspronkelijke staat uit 1928. Hiermee blijft voor Amsterdam en Ajax gelukkig een uniek stukje geschiedenis bewaard. De Gemeente Amsterdam werd in 1921 aangewezen om de Spelen te organiseren en gaf architect Jan Wils de opdracht om een nieuw stadion te bouwen. De hoofdstad had al sinds 1914 een volwaardig stadion binnen haar grenzen dat ruimte bood aan 24.700 mensen, maar ongeschikt was voor de Olympiade doordat er geen atletiekbaan was. Dit stadion in Amsterdam-Zuid was de vaste thuisbasis van voetbalvereniging Blauw Wit. Het werd sporadisch door Ajax gebruikt voor belangrijke wedstrijden, zoals de promotiewedstrijden van 1916.

Op 28 juli 1928 traden 3014 deelnemers uit 46 landen aan voor de negende Olympiade in de moderne tijd. Vooral de voetbalwedstrijden waren populair. Het kwam niet vaak voor dat zoveel landenteams waren verenigd en de eerste tekenen van Oranje-gekte doemden op. Duizenden mensen lagen 's nachts voor de deur van de Nederlandse Handelsmaatschappij om in de voorverkoop kaartjes te bemachtigen voor het duel tussen Nederland en wereldkampioen Uruguay. Oranje werd echter met 2-0 door de latere kampioen uitgeschakeld.

Het Olympisch Stadion werd in 1937 flink uitgebreid. Met de bouw van de Kuip in Rotterdam (capaciteit 60.000 bezoekers) had het Olympisch Stadion er een concurrent bijgekregen. Er werden twee betonnen ringen gebouwd, waardoor de capaciteit werd opgevoerd van 34.000 naar 64.000. Na de Spelen kreeg het Olympisch Stadion een multifunctioneel karakter. Met regelmaat vonden er atletiek-, rugby-, hockey-, speedway-, hockey- en wielerwedstrijden plaats. In 1954 startte zelfs de Tour de France er, voor het eerst in de historie buiten Frankrijk. In 1933 vierde Koningin Wilhelmina haar 35ste Jubileum, de verloving van Prinses Juliana en Prins Bernhard werd er aangekondigd en de jaarlijks gehouden Olympische dagen waren erg populair.

Hoe dan ook, voetbal bleef publiekstreffer nummer een in het Olympisch Stadion. Blauw Wit werd de vaste bespeler nadat het oude stadion aan de overkant van de weg werd in 1919 afgebroken. Verder werd het Olympisch Stadion vooral gebruikt voor interlands, Europese wedstrijden en de belangrijke wedstrijden van Ajax. Ajax had al te kennen gegeven niet te willen verhuizen want het Houten stadion in de Watergraafsmeer voldeed toen nog aan alle eisen. Daarnaast kreeg Ajax in 1934 met 'de Meer" haar eigen stadion. Toch had Ajax twee belangrijke redenen om naar het Olympisch Stadion uit te wijken. De eerste reden had te maken met het aantal verwachte toeschouwers. De Meer was in 1934 berekend op een gemiddelde competitiewedstrijd. De kans dat er meer dan 20.000 bezoekers waren te verwachten was tenslotte in de jaren dertig niet erg groot. Tot aan de invoering van het betaald voetbal in 1954 maakte Ajax slechts sporadisch gebruik van het Olympisch Stadion. De eerste wedstrijd waarvoor Ajax moest uitwijken naar het Olympisch Stadion was in de kampioenscompetitie op 9 maart 1930 waarin Velocitas met 8-0 klop kreeg. Pas met de invoering van de Europa Cup speelde Ajax er regelmatig. De tweede belangrijke reden voor Ajax om in het Olympisch Stadion te spelen had een technische achtergrond. Bij de bouw van de Meer in 1934 was er geen lichtinstallatie aangelegd, want er werd tenslotte nog niet vaak 's avonds gespeeld. Het Olympisch Stadion had vanaf 1934 wel een permanente installatie. Op 23 oktober 1929 had Amsterdam zelfs een Europese primeur. Philips had van het Amsterdamse vervoersbedrijf tramleidingen geleend en op vijftien meter dwars boven het veld gehangen. Wonder boven wonder raakte de bal geen enkele keer een van de 64 lampen. De Meer kreeg pas in 1971 een lichtinstallatie en minder belangrijke Europese wedstrijden van Ajax werden thuis gespeeld.

De planning voor de wedstrijden van Ajax in het Olympisch Stadion bleek niet altijd zonder problemen. Met de invoering van het betaald voetbal kreeg het stadion namelijk twee vaste bespelers, BVC Amsterdam (later DWS) en Blauw Wit (gefuseerd in FC Amsterdam in 1972). Zij speelden tot aan 1977 wekelijks twee wedstrijden. Door de aanwezigheid van vele topclubs in Amsterdam werd de een na de andere derby gespeeld. De belangstelling voor deze wedstrijden was zo groot dat in de jaren zestig ook de thuiswedstrijden van Ajax in het Olympisch Stadion werden gehouden.

De meest gedenkwaardige Europese wedstrijd van Ajax in het Olympisch Stadion is wel de achtste finale van de Europa Cup I tussen Ajax en Liverpool in 1966. In een zeer mistig stadion zag scheidsrechter Sbardella nog net beide doelen en achtte het niet nodig de wedstrijd te staken. Ajax won met doelpunten Henk Groot en twee treffers van Cees de Wolf, die voor de geblesseerde Piet Keizer inviel. Tijdens de return op Anfield Road in Liverpool scoorde Cruijff twee keer (2-2) en was de voorsprong geen moment in gevaar. Uiteindelijk was de teleurstelling groot toen in de kwartfinale van Dukla Praag, na een 1-1 gelijkspel thuis, met 2-1 werd verloren.

olymp3.gif (32506 bytes)

Het Olympisch Stadion